Pages Menu
Categories Menu

Posted by on sep 5, 2010

Twitter is een onding

© Siegfried Woldhek 2001

Ook in de wereld van het wielrennen, waarin de omerta altijd regeerde, heeft het gebruik van twitter zijn intrede gedaan. Voor mastodonten als Mart Smeets natuurlijk een regelrechte bedreiging. De renners en ploegen maken nu zelf het nieuws en zijn niet meer afhankelijk van de reguliere kanalen. Mart Smeets kan het wellicht daardoor niet nalaten te pas en te onpas zijn afschuw over het medium onder stoelen of banken te steken. Zoals gistermiddag bijvoorbeeld, bij het rechtstreekse verslag van een rit uit de Vuelta, waarin hij twitter een onding noemde. Ondanks dat vind ik het onbegrijpelijk dat een mediaman als Smeets, die als journalist toch zou moeten weten dat even verder kijken dan je neus lang is, dit soort uitspraken bezigt. Aan de andere kant: misschien een klassiek voorbeeld van “meisjes plagen, kusjes vragen?” Het zit ‘m in ieder geval hoog.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on aug 2, 2010

Een monsterrit kan ook open cultuur zijn

Een monsterrit kan ook open cultuur zijn

In 1910 werden de renners van de Tour voor het eerst over de Pyreneeën gestuurd. Een bijna misdadig plan van organisator Henri Desgrange, die droomde van het aan het eind van de rit overblijven van slechts één renner. Het lijden, de heroïek en de tragiek zouden immers garant staan voor mooie verhalen in zijn blad l’Auto. Eén van de ritten was een ware monsteretappe: Luchon – Bayonne, met een afstand van 326 kilometer en daarin opgenomen de meest gevreesde cols: Tourmalet, Aubisque, Peyresourde, Aspin en nog wat andere kwaadaardige klimmen. De Fransman Octave Lapize zou de etappe en later ook het eindklassement op zijn naam schrijven. Van de 110 gestarte renners zouden er 41 de Tour voltooien.

Vandaag de dag zouden de renners spontaan hun fiets in de berm zetten wanneer ze gevraagd werd zo’n etappe te fietsen, laat staan een Tour van ruim 4.700 kilometer. Voor de lol gebeurt het echter wel, getuige onderstaande zeer aan te bevelen minidocumentaire, waarop ik stuitte toen ik Open Culture bezocht. Vier amateurrenners besloten de monsteretappe nogmaals af te leggen. Ook honderd jaar na dato is de rit nog bijna onmenselijk, zelfs met goede voeding (en dus niet twaalf biefstukken), licht materiaal en genoeg versnellingen. En dan te beseffen dat de rit uit 1910 voorafgegaan werd door een etappe van 289 kilometer en opgevolgd door eentje van 269 kilometer. De langste rit had een lengte van 425 kilometer. Lapize had er toendertijd veertien uur voor nodig voordat hij de 5.200 hoogtemeters overbrugd had en over de finish kwam. Het viertal deed er onlangs zestien uur en een paar minuten over, maar kreeg meer hoogtemeters (6.150) voor de kiezen, waarschijnlijk omdat niet alle routes van destijds meer bestaan. Petje af.

De muziek onder de beelden, overigens, is afkomstig uit een interessant en tot op heden mij onbekende catalogus: de Royalty Free Classical Music Library. Waarvan akte.

Read More

Posted by on jul 19, 2010

Wielerblog: Op karakter, St. Willebrord: van paarse hei tot gele trui

Wielerblog: Op karakter, St. Willebrord: van paarse hei tot gele trui

Het piepkleine Brabantse dorp St. Willebrord heeft enkele van Nederlands bekendste wielrenners voortgebracht. In Op karakter wordt getracht te duiden hoe het kon dat renners als Wim van Est, Wout & Rini Wagtmans hun medecoureurs vaak de hielen lieten zien.

In de volksmond is St. Willebrord beter bekend als ‘t Heike. Grofweg gelegen tussen Breda en Roosendaal, op enkele kilometers van de Nederlands-Belgische grens, was het berucht vanwege de smokkelaars en ander gespuis dat zich er bij nacht en ontij met duistere praktijken bezighield. Tegelijkertijd was het dorp doordrenkt van het katholicisme. De rol van de pastoor was groot, al kon er van een rijk Rooms leven allerminst gesproken worden. Veel inwoners van St. Willebrord verdienden een extra zakcentje door goederen over de Belgische grens te smokkelen, veelal per fiets.

Op karakter, St. Willebrord: van paarse hei tot gele trui
Peter Heerkens en Frank Schoonderwalt, Tirion Sport, 2007

St. Willebrord heeft een aantal illustere wielrenners voortgebracht, waarvan de bekendste ongetwijfeld Wim van Est is. Niet voor niets wil het toeval dat de feestelijke uitgave van Op karakter samenviel met de onthulling van een standbeeld voor Van Est. ‘De beul van ‘t Heike’ was de eerste Nederlander die in de Tour de France de gele trui bemachtigde (1951), maar zou een dag later, 18 juli 1951, nog meer geschiedenis schrijven door in de afdaling van de Aubisque in een ravijn te vallen.
Naast het dragen van de gele trui was ‘IJzeren Willem’ ook de eerste Nederlander die in de Giro de roze trui wist te bemachtigen en won tevens als eerste Nederlander koersen als de monstertocht Bordeaux-Parijs (driemaal) en de Ronde van Vlaanderen. Wereldkampioen is Van Est echter nooit geworden. Broodrenner als hij was, verkocht hij zijn diensten meestal met succes aan de Belgische coureur Rik van Steenbergen.

Van Est was samen met mede St. Willebrorder Wout Wagtmans ook zeer actief en succesvol op de baan. Onder andere in de koppelkoersen was het duo ongenaakbaar. De flamboyante Woutje Wagtmans zou na Van Est de gele trui in de Tour bemachtigen en was mateloos populair. Hij grossierde in luxe sportwagens, maar was ook de eerste Nederlandse renner die serieus aanspraak maakte op het winnen van de Tour.
In 1956 heeft Wagtmans met nog vier etappes te gaan 4.28 voorsprong op nummer twee Roger Walkowiak. De sponsor van de ploeg, Locomotief, stelt zelfs een duizelingwekkende premie van honderdduizend gulden in het vooruitzicht bij de eindwinst. Tijdens de beklimming van de laatste col van die Tour, de Luitel, knakt de onberekenbare Wagtmans echter. Hij stapt twee kilometer onder de top af en drinkt liggend een fles water. Knecht Jan Nolten weet hem echter weer op zijn fiets te krijgen. Zijn kopman duwend bereiken ze beiden de top, maar de Tour is al verloren. Wagtmans wordt zesde.

De neef van Wout, Rini Wagtmans, wist als twaalfjarige al dat hij ooit Tourrenner wilde worden. Je kon er de armoede het hoofd mee bieden, maar ongetwijfeld speelde ook mee dat vader Cees (‘Smokkeltje’) de masseur van onder meer Wim van Est en Jan Janssen was. Ook Rini Wagtmans zou het geel om zijn schouders dragen en stond bekend als een onverschrokken daler.

In 1971, het jaar dat Wagtmans naar ‘de universiteit van het wielrennen’ gaat, de Molteni-ploeg van Eddy Merckx, komt er een eerste barstje in de reputatie van ‘De Kannibaal’. In de tour rijdt Luis Ocaňa Merckx op 9.46 en neemt het geel van hem over. Om de trui weer in handen te krijgen, wordt een list verzonnen. In de grotendeels vlakke etappe Orcières-Merlette is het plan in de enige afdaling aan te vallen, omdat daarop niemand zal rekenen. In de resterende 245 (!) kilometer naar Marseille moet de voorsprong worden vastgehouden. Driemaal wordt de afdaling verkend en Merckx gaat akkoord.

In de enkele kilometers lange afdaling wordt een ruime minuut voorsprong gepakt door Wagtmans met Merckx in zijn wiel. Maar daarbij blijft het. Het kat-en-muisspel op het vlakke wordt door l’Equipe ‘legendarisch’ genoemd. In onderstaande Youtubevideo wijdt Merckx er over uit (vanaf 04.50). De etappe wordt met een gemiddelde van ruim 46 kilometer per uur afgelegd en men komt anderhalf uurder eerder dan verwacht binnen. Merckx is teleurgesteld, maar Wagtmans wijst hem erop dat de wilde achtervolging Ocaňa volledig opgebroken heeft. Door twee man ondersteund kan hij nog ternauwernood zijn gele trui ophalen. Twee dagen later, Merckx wordt weer gegangmaakt door Wagtmans, gaat Ocaňa in de afdaling van de Menté onderuit. Merckx wint zijn derde Tour.

Het is opmerkelijk dat een dorp als St. Willebrord zoveel goede renners heeft voortgebracht, maar een verklaring is daarvoor natuurlijk niet te geven. Naast alle wielerbiografieën, want dat zijn het bijna, wordt er door de auteurs ruim ingegaan op de sociologische aspecten en de geschiedenis van het dorp. Daardoor leest het van tijd tot tijd wat fragmentarisch. Dat neemt echter niet weg dat er een schitterend stukje Nederlands wielrennen wordt blootgelegd. Verplichte kost voor wielerhistoriefanaten.

Read More

Posted by on jul 15, 2010

Wielerblog: Het bidonneke van Jef

Wielerblog: Het bidonneke van Jef

Memoires van een wielerverzorger is zonder twijfel één van de meest spraakmakende wielerboeken van de laatste jaren. Het is een poging van auteur Jef D’Hont (22 maart 1942) af te rekenen met wat hij noemt de hypocrisie van de omerta. Als verzorger bij topploegen als Flandria, Telekom, Festina en Francaises des Jeux is hij in staat een ruime blik in de keuken van de wielersport te geven. En wat er in die keuken gebrouwen wordt onthutst. “Als doping de waarheid is, is zwijgen goud“, aldus D’hont.


Jef D’Hont – Memoires van een wielerverzorger
256 pagina’s
Fontaine Uitgevers Bv
mei 2007

Het boek is niet zozeer een aanklacht tegen het gebruik van doping, maar meer tegen het afschuiven van verantwoordelijkheden van renners, artsen en bovenal ploegleiders. Niet zij, maar de soigneurs delven het onderspit wanneer er dopingmisbruik aan het licht komt. Dat D’Hont daarom een lans breekt voor collega Willy Voet, de Festinaverzorger die op 8 juli 1998 wordt aangehouden met een auto vol epospuiten en daarmee één van de grootste dopingschandalen ooit ontketent, komt niet als een verrassing. Voet is de duivelse verpersoonlijking van het epotijdperk en wordt door iedereen, zijn collega’s voorop, ook als zodanig behandeld. Kopman Richard Virenque huilde krokodillentranen, beroept zich op zwijgrecht en maakte een glansrijke comeback. De ploegleiders kwamen eveneens met de schrik vrij.

D’Hont’s alom bekende bijnaam in het peloton luidde Jef Bidon: hij was bij renners en ploegleiders vermaard om zijn ‘bidonneke‘. Gedurende de jaren zeventig bevatte het volgens hemt onder meer het longinhoudvergrotende middel Alupent dat lang niet op de dopinglijsten voorkwam en ‘zijn’ renners een groot voordeel ten opzichte van concurrenten gaf. Tot ver in de jaren negentig, bijvoorbeeld bij Telekom, zouden renners rijden op het bidonneke van Jef, vanzelfsprekend met een met de tijd meegaande inhoud. Al weet D’Hont ook te vertellen dat het placebo-effect van het bidon alleen renners ook geregeld vleugels gaf.

D’Hont kwam voor het eerst, zij het vanaf een afstand, in aanraking met stimulerende middelen tijdens een zesdaagse in Antwerpen. Daar zag hij renner Rik van Steenbergen na een teleurstellende puntenkoers smoezen met zijn verzorger Gust Naessens, maar een koers later op de dag de spreekwoordelijke stenen uit de straat rijden. Het beeld dat Naessens Steenbergen heimelijk een met vloeistof gevulde glazen spuit gaf waarmee de renner in het toilet verdween en met een lege spuit terugkeerde zou niet uit D’honts gedachten verdwijnen.
Zelf was hij ook een begenadigd renner, zowel op de weg als op de baan en won gedurende zijn actieve loopbaan zo’n 130 koersen. Het was een collega-renner die hem een adres in Frankrijk zou geven waar zijn ‘diamanten’, het middel Tonedron (een mengeling van aspirine en amfetamine), vrij te verkrijgen waren. D’Hont zou de pillen jarenlang met wisselend succes gebruiken (de slapeloze nachten na het slikken van een pilletje deden hem bijna de das om), maar uiteindelijk tegen de lamp lopen.

Vanaf 1964 raakte hij werkzaam als wielerverzorger en kwam in die hoedanigheid voor het eerst in aanraking met Walter Godefroot. Een kleine dertig jaar later zou Godefroot hem aannemen als soigneur bij Telekom. Het is het hoofdstuk over díe ploeg dat in de pers de meeste ophef heeft veroorzaakt. D’Hont doet namelijk gedetailleerd uit de doeken hoe Godefroot bij de ploeg een efficient werkend dopingsysteem op poten zet. In samenwerking met de universiteit van Freiburg werd ervoor gezorgd dat de renners onder begeleiding gebruik maakten van cortisonen en later ook epo. Wanneer de artsen niet beschikbaar waren werden de verzorgers geïnstrueerd de renners te behandelen. Volgens D’Hont waren veel van de medicijnen afkomstig uit België en werd de financiële afhandeling verzorgd door een onderneming van Godefroot. In 1993 werd de eerste spuit gezet in kopman Olaf Ludwig, later zouden vele andere renners volgen. Ook beschrijft hij hoe medeploegleider Rudy Pevenage in de winter voorafgaand aan de door Riis gewonnen Tour van 1996 potjes urine naar een laboratorium in Gent stuurde. Uit de testen die gedaan werden kon hij opmaken hoe lang testosteron en andere syntetische producten nodig hadden om niet meer opspoorbaar te zijn. Aldus kon men Riis optimaal klaarstomen zonder dat hij betrapt kon worden.

De openbaringen van D’Hont zouden afgelopen jaar onder meer leiden tot bekentenissen van Eric Zabel en Bjarne Riis (volgens D’Hont in 1996 rijdend met een levensbedreigende hematocrietwaarde van 64 procent). Ploegleider Walter Godefroot ontkent nog steeds, evenals Jan Ullrich. Rudy Pevenage gaf van de week echter toe dat hij indertijd wel degelijk contacten onderhield met dopingdokter Fuentes:

Waarom zou ik nog langer liegen.” […] “Ik wil alleen dat duidelijk is dat ik op dat moment nooit de indruk had dat ik iets fout deed. Ik kende veel klanten van Fuentes, onder wie enkele toppers die in 2006 aan de start van de Tour stonden.”

Read More

Posted by on jul 11, 2010

Wielerblog: over 8 Sec., De Tour van ’89

Wielerblog: over 8 Sec., De Tour van ’89

8 Sec., De Tour van ’89
Herman Chevrolet
De Arbeiderspers, 1992, 327 pagina’s

De Tour de France van 1989 is het verhaal van Greg LeMond en Laurent Fignon. Of vooral hoe Fignon in de afsluitende tijdrit naar de Champs Elyssées een zekere Tourwinst vergooide. Het is echter meer dan dat. Herman Chevrolet toont in 8 Sec., De Tour van ’89 aan dat het ook de Tour van technologische vernieuwing was en tegelijkertijd de laatste van wat we nu het eerlijke wielrennen zouden noemen.

Het was in de zomer van 1985 dat Greg LeMond het aan de stok had met een andere Fransman en tevens ploeggenoot: Bernard Hinault. Dat de twee elkaars bloed wel konden drinken is een understatement. De eigenwijze LeMond, groot liefhebber van roomijs en hamburgers, en de arrogante Hinault, die de Tour al vier keer op zijn naam had geschreven, deelden het kopmanschap van hun ploeg La Vie Claire. Na een valpartij van Hinault en een zware bergrit een dag later ontpopte zich een scenario waarbij La Vie Claire-geldschieter Bernard Tapie een bepalende rol zou spelen. Hinault kwam op de flanken van de Col de Tourmalet en later de Aspin in de problemen. LeMond bevond zich op dat moment in een kopgroep met daarin ook de nummer twee van het algemeen klassement, Stephen Roche. Wanneer LeMond het ploegbelang had gediend zou hij zijn benen hebben stilgehouden, maar het geel lonkte ook voor hem. Er zat voor Tapie, die zijn relatie met volksheld Hinault niet op het spel wilde zetten, maar één ding op: LeMond opzadelen met een leugentje voor eigen bestwil. Hard doorrijden had geen zin vertrouwde hij LeMond toe. Hinault zat immers vlak achter ze. Het bleek een self fulling prophecy, maar feit was dat LeMond zijn ploeggenoot volkomen aan flarden had kunnen fietsen en samen met Roche had kunnen uitmaken wie de Tour zou winnen.

In de aanloop naar de Tour van 1986 verklaarde Hinault meermaals dat hij LeMond in staat achtte die editie op zijn naam te kunnen schrijven. En hieraan zou hij vanzelfsprekend zijn bijdrage leveren. Maar ook nu zou hij zich echter wederom opwerpen als de absolute kopman van La Vie Claire. LeMond en Hinault probeerden elkaar het leven zo zuur mogelijk te maken, resulterend in een keiharde strijd. Bernard Tapie moest alle zeilen bijzetten de eenheid in de ploeg te bewaren, in ieder geval naar buiten toe. Lemond en Hinault, hand in hand finishend op l’Alpe d’Huez. Het bleek volkomen geënsceneerd:

Ooh wat is dit mooi! Wat kan sport mooi zijn! Ooooh! Wat is dit schitterend! Wat is dit fantastisch om te zien! Ooooh! Wat een grootheid! Wat is dit fantastisch!”

Een jubelende Mart Smeets gleed bijna van zijn stoel bij het zien van zoveel kameraadschap en had daarmee de reactie die Tapie gewenst had: LeMond won de Tour bij de gratie van Hinault en dat alles onder de bezielende leiding van de geldschieter zelf.

LeMond’s loopbaan zou daarna een dramatische wending nemen nadat een onfortuinlijk jachtongeluk hem moeite gaf zijn oude niveau te hervinden. Na een kortstondige periode bij PDM vond hij onderdak bij het relatief onbekende Belgische ADR, waar hij onder de hoede kwam van José de Cauwer. En Laurent Fignon? Die was na zijn Touroverwinningen in 1983 en 1984 ernstig aan het sukkelen geraakt: blessures en langdurige herstelperiodes maakten dat niemand hem meer serieus nam. Een topper zou het nooit meer worden. Jean Francois Bernard was de nieuwe Franse held. Het probleem van Fignon was echter puur van fysieke aard. Tussen zijn oren zat het wel goed en de Tour van ’89 zou zijn glorieuze comeback worden.

Chevrolet beschrijft die Tour vervolgens in een kleine honderd pagina’s etappe voor etappe. Het is een mooi relaas waarbij hij zich niet slechts richt op de tweestrijd tussen LeMond en Fignon, die inderdaad de dienst zouden uitmaken. Ook het vrijwel alleen met kopmannen aanwezige PDM (vier renners in de top-10 van de eindklassering) en Pedro Delgado met zijn meesterknecht Miguel Indurain zouden de wedstrijd kleur geven. En natuurlijk het triathlonstuur van LeMond.

De Amerikaan won de eerste individuele tijdrit en gaf daarmee een duidelijk signaal richting Fignon. De gele trui was LeMond’s deel, maar na een onverklaarbare terugval in de laatste kilometer bergop richting Superbagnères nam Fignon het geel weer over. LeMond pakte de trui enkele dagen later weer terug, nu wederom in een tijdrit, die overigens werd gewonnen door Steven Rooks. Fignon sloeg echter vernietigend toe in de twee achtereenvolgende bergritten richting l’Alpe d’Huez en Villard-de-Lans. Wederom miste LeMond bergop de macht en werd door de Fransman op een kleine minuut in het algemeen klassement gereden. Deze 50 seconden zouden voor aanvang van de afsluitende tijdrit genoeg moeten zijn om zijn eindoverwinning veilig te stellen. Een kort experiment met een triathlonstuur beviel Fignon niet. De 58 seconden die LeMond binnen 24 en een halve kilometer terugpakte resulteerde in de kleinste Touroverwinning ooit.

Read More

Posted by on jul 10, 2010

Wielerblog: Ontploft de zaak Armstrong?

Wielerblog: Ontploft de zaak Armstrong?

Evenals in 2009, het jaar waarin Lance Armstrong na kortstondige afwezigheid terugkeerde in de Tour, zijn ook nu de dopingverdachtmakingen niet uit de lucht. Sterker nog, de recente verklaringen van oud ploeggenoot Floyd Landis lijken erop te duiden dat er binnenkort wel eens iets ‘groots’ naar buiten zou kunnen komen. De verhoren van ploegleider Johan Bruyneel en oud ploeggenoten Tyler Hamilton en George Hincapie, afgenomen door de FBI en de Koninklijke Wielrijdersbond KBWB, dragen hier alleen nog maar aan bij. Armstrong ontkent vanzelfsprekend.

In de aanloop naar de Tour van vorig jaar besprak ik het boek From Lance to Landis: Inside the American Doping Controversy at the Tour de France voor het orgaan van mijn wielerclub. Ik post het bij deze, want er lijkt verduveld weinig veranderd.


From Lance to Landis: Inside the American Doping Controversy at the Tour de France
David Walsh, Ballantine Books, 352 pagina’s, 2007.

In het licht van de aanstaande comeback van Lance Armstrong is From Lance to Landis van de gelauwerde Ierse journalist David Walsh, hoofdredacteur sport van de Sunday Times, een publicatie die ongetwijfeld weer aangehaald gaat worden door critici van de zevenvoudige Tourwinnaar.

From Lance to Landis is een verrijkte uitgave van L.A. Confidentiel (2004), waarin werd uiteengezet dat Armstrong en zijn ploeg gebruikmaakten van een georganiseerd dopingprogramma. Verdachtmakingen rondom de Amerikaan zijn vooral in Frankrijk nooit uit de lucht geweest. Als liefhebber van de heroïek van de wielersport kunnen de twijfels eenvoudig worden genegeerd en betiteld als overdreven Frans chauvinisme. Na het lezen van From Lance to Landis valt echter niet te ontkomen aan de conclusie dat het verhaal toch wat anders in elkaar steekt. Zo is er bijvoorbeeld de georganiseerde bloeddoping door de Amerikaanse wielerploeg tijdens de Spelen van ’84, onder leiding van Armstrong’s persoonlijke coach Chris Carmichael. Daarnaast is er de lang verzwegen intensieve samenwerking tussen de veroordeelde dopingarts Michele Ferrari. En tot slot de twee keer dat Armstrong in 1999 daadwerkelijk positief werd bevonden, maar beide keren met de schrik vrijkwam. De eerste keer werd er bij een positieve testosteron-test plotsklaps een medisch attest voor schrale billen uit de hoge hoed getoverd. De tweede keer verwezen er in 2005 zes op epo positief bevonden bloedstalen naar Armstrong. De UCI verklaarde echter dat deze op onrechtmatige wijze verworven waren en verklaarde het bewijs teniet. De rol van de UCI en toenmalig voorzitter Hein Verbruggen is volgens Walsh sowieso twijfelachtig. Toen Michele Ferrari, in 1994 ploegarts van dopingarmada Gewiss, in een vraaggesprek met l’Equipe aangaf het gebruik van epo even gevaarlijk te vinden als het drinken van tien liter sinaasappelsap, werd deze berichtgeving door Verbruggen omschreven als hypocriet journalistiek broddelwerk. Volgens Verbruggen duidde het lage aantal betrapte renners op een schone wielersport. Logisch toch?

From Lance to Landis getuigt van een knap staaltje onderzoeksjournalistiek. Alhoewel veel van de door hem aangehaalde feiten en geruchten al langer in de wielerwereld circuleerden, weet Walsh ze met elkaar te verbinden, daarbij gebruikmakend van betrouwbare bronnen. Niet in de laatste plaats dient de rechtszaak die Armstrong in 2005 aanspande tegen SCA Promotions genoemd te worden. Deze risicoverzekeraar weigerde een miljoenenbedrag aan Amstrong’s geldschieter Tailwind Sports uit te keren nadat Armstrong’s positieve epo-test aan het licht kwam. Alhoewel Armstrong de zaak won kwam tijdens de procedure een aantal spraakmakende getuigen aan het woord. De Australische fysioloog Michael Ashenden weigerde bijvoorbeeld te geloven dat Armstrong zijn overwinningen zonder doping behaalde en bekeek daarvoor kritisch onderzoeksgegevens van de Amerikaanse arts Ed Coyle. Laatstgenoemde claimt dat een toegenomen Vo²max, gewichtsverlies en een meer efficiente pedaaltred Amstrong na zijn ziekte tot een onoverwinnelijke renner maakte. Ashenden is zo overtuigd van zijn gelijk dat hij Coyle recentelijk aanklaagde wegens wetenschappelijk falen. Van een nog grotere impact is de instant-message conversatie tussen Armstrong’s voormalige U.S. Postal-ploeggenoten Frankie Andreu (deze bekende in 2006 tegenover de New York Times dat hij in 1999 epo gebruikte) en Jonathan Vaughters (momenteel ploegleider bij Garmin). Uit de uiteenzetting blijkt dat illegale bloedtransfusies tot de dagelijkse U.S. Postalpraktijk behoorden.

De tijdens de hoorzitting opgeroepen getuige Betsy Andreu doet onder ede verslag van een ziekenhuisgesprek in 1996, waarbij Amstrong tegenover artsen verklaart in het verleden onder meer epo, steroïden, cortisonen en testosteron gebruikt te hebben. Bij dit gesprek was ook Stephanie McIlvain aanwezig. Deze medewerkster van sponsor Oakley en goede vriendin van zowel Andreu als Armstrong onderschrijft tegenover meerdere personen, waaronder Greg Lemond en de auteurs van het boek, het ziekenhuisgesprek. Onder ede verandert zij echter plots van mening en herinnert zich hier niets meer van. Ontegenzeggelijk bewijs dat de arm van Armstrong ver reikt is dit niet, maar het past wel binnen het plaatje van een renner die zich er niets aan gelegen laat liggen tegenstanders middels dreigementen de mond te snoeren. Bekend is het verhaal van Lemond die in de pers uit niet te begrijpen waarom Armstrong zich inliet met Michele Ferrari. Zijn bekende uitspraak dat “If [Armstrong’s] clean, it’s the greatest comeback. And if he’s not, then it’s the greatest fraud“, leidde tot het dreigement dat Trek, de producent van Lemond Bikes, deze overeenkomst zou ontbinden.

De stapel indirect bewijs waarop Walsh zijn verhaal baseert tekent een beeld van Lance Armstrong dat veel lezers versteld zal doen staan. Of de renner gedurende zijn hele loopbaan verboden stimulerende middelen heeft gebruikt valt momenteel niet aan te tonen, al was het alleen maar dat de UCI de medische gegevens van renners beschouwt als vertrouwelijk. Dat Armstrong niet is ingegaan op de recente uitnodiging van het Franse dopingbureau AFLD de stalen nogmaals te laten onderzoeken en daarmee zijn blazoen te kunnen zuiveren zal Walsh (en de meeste lezers van het boek) daarom allerminst verbazen.

Read More

Pin It on Pinterest