Pages Menu
Categories Menu

Posted by on jun 13, 2010

Kennismaking met Piotr Kamler

Kennismaking met Piotr Kamler

Het is toch grappig hoe dingen soms lopen. Vanmiddag legde ik de laatste hand aan een boekbespreking van Acquisitions In The New Information Universe, Core competencies and ethical practices voor de aankomende editie van Digitale Bibliotheek. Auteur Jesse Holden stelt hierin dat het collectiebeleid van bibliotheken een rhizomatische benadering vereist: het netwerkdenken. De term rhizomatisch bracht me ertoe de kunst- en technologiesite  Rhizome.org na zeer lange tijd weer eens te bezoeken. En dat werd beloond, want het bracht me vanavond op het pad van de Poolse animitor en filmer Piotr Kamler. Op de site zelf is een aantal video’s van hem te bekijken en ook te beluisteren, want de soundtracks zijn van de hand van niemand minder dan Bernard Parmegiani. Het onderstaande L’Araignéléphant (1968) vind ik erg aardig:

Het bleek na een korte webzoektocht echter dat ook Ubuweb mooi materiaal van Kamler beschikbaar heeft gemaakt. Ik kan zeker aanraden zijn science fiction-film Chronopolis te bekijken. De soundtrack hierbij is trouwens niet van Parmegiani, maar van Luc Ferrari. Ook niet misselijk trouwens. Ik heb voor de gelegenheid ook maar een afspeellijst van beide heren in Spotify gemaakt.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on jun 5, 2010

Koha is de ultieme oplossing voor het Muziek Centrum Nederland

Het Muziek Centrum Nederland (MCN) is het sectorinstituut voor Nederlandse muziek. Vanwege een recente fusie is het een koepelinstelling waarbij de eerder zelfstandig opererende organisaties Donemus, het Jazz Archief, het Popinstituut, Kamervraag, Dutch Jazz Connection, Jazzdienst en Gaudeamus ondergebracht zijn. Bij het Muziek Informatie Centrum, een afdeling binnen het MCN, werkt men momenteel aan een project waarbij de databases en catalogi van deze organisaties worden samengebracht in een gezamenlijk catalogussysteem. Na rijp beraad heeft men bij het MCN besloten te kiezen voor Koha (link bijgewerkt na de reactie van Saskia Scheltjens), een open source-ILS (Integrated Library System) dat in Nederland nog maar zeer sporadisch wordt gebruikt. Zowel gezien de internationale ervaringen als de kennis die men reeds bij het MCN over Koha heeft opgedaan is dat opmerkelijk. Ik interviewde projectleiders Paula Quint en Ditmer Weertman voor editie vier van Digitale Bibliotheek over hun ervaringen tot nu toe.

“Het project had als doelstelling te kijken of van de verschillende databases van de fusieinstellingen iets gezamenlijks gemaakt kon worden”, zegt Paula. “Alle organisaties brachten een heleboel databases mee en bestanden van allerlei origines mee, vaak onderling ook nog eens totaal verschillend gecatalogiseerd. Een behoorlijk pittig project dus.” Ditmer vult aan: “Koha is puur een catalogussysteem en dat op een manier die internationaal gestandaardiseerd is. Het sluit aan bij zowel de MARC21- als UNIMARCstandaard. Je kan dus beschrijvingen maken die bij het Library of Congress prachtig op hun plaats zijn. De aard van het beestje is een bibliotheeksysteem, maar dan wel open source en via het internet raadpleegbaar en beheersbaar. Die integratie met een webbrowser was één van de vereisten”

Alvorens het project werd opgestart heeft men bij het MCN een werkgroep samengesteld die een uitgebreid pakket van eisen maakte. Naast voornoemde browser-integratie maakte onder meer platformonafhankelijkheid (de uitgeverij van het MCN werkt bijvoorbeeld met Mac’s), de mogelijkheid meerdere catalogi te integreren en de aanwezigheid van deskundige ondersteuning hiervan onderdeel uit. Daarnaast moest de veldenstructuur kunnen omgaan met complexe titelbeschrijvingen, iets dat inherent is aan het catalogiseren van bladmuziek.

Hoe is het project gestart?
Paula: “We hebben een lijst van wensen en eisen opgesteld en die gematcht met systemen die daarvoor in aanmerking zouden komen. Koha stond aanvankelijk op de longlist van beschikbare catalogussoftware, maar viel af. Dat had als hoofdreden dat we binnen MCN geen ICT-afdeling hebben. We schatten toen in dat we daarmee de noodzakelijke kennis ontbeerden om met een open source-systeem aan de slag te gaan. Uiteindelijk hebben we een shortlist over gehouden, waarvan we drie partijen (allen leverancier van een gesloten systeem, JdB) uitnodigden om een demonstratie te komen geven. Vervolgens hebben we voor twee aanbieders referentiebezoeken afgelegd, waarbij we per systeem twee organisaties bezochten die ermee werkten. Hierdoor konden we een heel duidelijk beeld krijgen wat desbetreffende systemen in huis hadden en of ze aan onze eisen zouden voldoen. Het soort instellingen dat we bezochten was heel verschillend, uiteenlopend van een museum en een bouwadviesbedrijf tot een uitkeringsinstantie.”

Waar lette je in het bijzonder op?
Paula: “Hoe worden beschrijvingen opgenomen, waar voldoet het aan, hoe werkt het. En een hele belangrijke: als je de helpdesk belt, hoe snel wordt er dan gereageerd en krijg je de juiste informatie. Ook interessant was om te weten of het systeem op maat gemaakt was of bestond uit een standaardpakket. Dit is bijvoorbeeld van belang omdat je bij bepaalde pakketten weliswaar een op maat gemaakte versie kunt krijgen, maar dan updates ontbeert. Of andersom dat een aanpassing bij bedrijf A bij een update leidt tot die aanpassing voor iedereen, ook als je daar eigenlijk niet op zit te wachten. Op het beslismoment was de werkgroep niet unaniem. We besloten toen het webbased systeem bij ons in de praktijk te testen. We hebben een proof-of-concept gedaan door van twee databases een conversie te maken. Eigenlijk is die proefperiode onze redding geweest, want, je begrijpt het al, die proof-of-concept is mislukt. Daarover was iedereen het eens. Het was misschien wel webbased, maar niet flexibel en open. Voor elke aanpassing zouden we onze portemonnee moeten trekken.”

En toen waren jullie weer terug bij af?
“Ja”, zegt Paula. “Dat gevoel hadden we wel. Alsnog hebben we toen de open source-mogelijkheden bekeken. Als je flexibiliteit wilt kom je daarbij toch snel terecht. We besloten toen het aanbod van twee aanbieders, waaronder Koha, nog eens goed onder de loep te nemen.”

Ditmer: “We zijn uiteindelijk naar het Rijksmuseum geweest dat al vrij ver was met Koha en waren eigenlijk meteen erg enthousiast. Koha is een gulden middenweg tussen een open source- en een gesloten systeem. Je bent namelijk niet, zoals dat bij andere open source-systemen wel zo kan zijn, bezig met het van de grond af op te bouwen. Het is in principe een bibliotheeksysteem met duizenden velden. Vanaf daar begin je met het inrichten en samenstelling van de eigen database. Bij andere open source-databases is het vaak andersom. Daarnaast is het niet zo rigide als veel andere bibliotheeksystemen.”

Wat bedoel je daarmee?
“Als je bij reguliere pakketten net iets anders wilt, een nieuw invoerveld hier of daar, dan vraag je je leverancier om maatwerk. Bij Koha heb je standaard zoveel mogelijkheden dat je bij wijze van spreken maar een knopje hoeft om te zetten om het gewenste resultaat al te bereiken. Dat maakt wel het verschil. Bij één van afgekeurde systemen hadden we velden die we niet kwijtkonden in het formaat van dat pakket. Zij hebben toen voor ons tien extra invoervelden aangemaakt. Heel aardig natuurlijk, maar dat is en blijft natuurlijk een tussenoplossing.”

Kan je een voorbeeld geven? Wat is iets waarvan je binnen Koha veel gebruik maakt?
“De uniforme titel is iets dat we bij Donemus bijvoorbeeld heel strikt gebruikten. Deze wordt vooral bij bladmuziek gebruikt om aan te geven om welke compositie het gaat. Je hebt bijvoorbeeld een standaardformule voor het Eerste Pianoconcert van Mozart. Of de Derde Symfonie van Beethoven, ook wel bekend als Eroica. In de wereld van de bladmuziek is de uniforme titel vrij heilig en voor onze webshop ook essentieel. De mogelijkheid ervoor zat bijvoorbeeld niet in het laatst geteste systeem. Men vond het ouderwets en analoog aan het oude kaartenbaksysteem. Voor ons kon dat echt niet. In Koha zit het wel en je kan het desgewenst aan- en uitzetten. Je bepaalt het zelf.”

Ditmer vervolgt: “Koha is gebaseerd op hele uitgebreide bibliotheekstandaarden, namelijk MARC21 of UNIMARC, die voortkomen uit het Library of Congress. Zij zijn zo uitgebreid als beschrijvingen maar kunnen zijn. In Koha is dat allemaal toegankelijk gemaakt. Verder werk je alleen met de invoerschermen die je wilt gaan gebruiken. De rest verberg je. En daarnaast, en dat vind ik nog het slimst, hebben ze heel veel flexibiliteit ingebouwd voor datgeen wat onverhoopt niet past binnen de MARC-structuur. Er is bijvoorbeeld een rubriek aanwezig die je volledig zelf kunt invullen, de zogenaamde 900-rubriek met een range van 100 invoervelden. We hadden voor onze webshop bijvoorbeeld oorspronkelijke nummervelden die koste wat kost bewaard moesten blijven. Dat konden we met de 900-rubriek gewoon locaal invullen. Dat zijn er al heel wat meer dan de tien eerdergenoemde die door de leverancier zelf aangemaakt moesten worden. Kijk, je doet het niet heel veel, want je wil zoveel mogelijk aansluiten bij internationale standaarden. In een aantal gevallen is het bij de conversie echter heel fijn geweest om de data in ieder geval op te nemen zodat het opvraag- en bruikbaar is. Dat vind ik echt geweldig aan Koha.”

Op een gegeven moment hebben jullie dus voor Koha gekozen. Hoe hebben jullie het toen aangepakt?
Paula: “We zijn begonnen met het werken met demoversies. We zijn daar heel bewust echt mee gaan knoeien. Ook zijn we bij het Internationaal Instituut voor Sociale geschiedenis (IISG) geweest die een tijd lang met Koha bezig zijn geweest. Met hen en met het Rijksmuseum hebben we veel gesprekken gehad. Beide hadden iemand in de arm genomen die het installeren en implementeren voor zijn rekening zou nemen. We hebben daarna een reguliere versie gedownload en geïnstalleerd bij onszelf om het te testen. Om de conversie te laten begeleiden zijn we terechtgekomen bij het Franse BibLibre. Dat is ons heel goed bevallen. Het is een prima bedrijf en men spreekt gelukkig heel goed Engels. We hebben hun directeur, Paul Poulain, bij ons uitgenodigd.” Ditmer: “Hij is toevallig ook degene geweest die MARC21 en UNIMARC in Koha heeft geïmplementeerd. Dus echt een expert die het programma door en door snapt.”

Paula: “Hij wordt ook wel de grootvader van Koha genoemd. Mede dankzij zijn ondersteuning vinden we dat het uiteindelijk heel goed gegaan is. Omdat onze kennis van MARC21 tekort schoot hebben we daarvoor een cursus gevolgd bij Ingressus. Zij hebben voor ons ook een handleiding geschreven waarin de MARC-velden die wij gebruiken en waarom en hoe gebruiken goed beschreven zijn. Er zijn nu zeven verschillende databases met daarin dertien bestanden naar Koha geconverteerd. Dat heeft BibLibre gedaan, nadat wij zelf de conversie hadden voorbereid. We hebben tabellen opgesteld waarmee zij uit de voeten konden.”

Welke rol speelde het open source karakter bij de uiteindelijke keuze?
Paula: “Aanvankelijk was open source geen voorwaarde, maar achteraf gezien betaalt het zich uit. Bijvoorbeeld met het koppelen van nieuwe open source-projecten, zoals een muziekencyclopedie, het CMS van de webshop en een CRM-systeem. We hebben ook een open source beeld- en geluiddatabank laten bouwen. Dit gaan we in een later stadium aan elkaar koppelen.”

Er gaat dus veel tijd zitten in kennisvergaring en externe ondersteuning. Hoe zit het met de kosten?
Paula: “Ons afdelingshoofd kan nog steeds smalend lachen als hij de offerte van het laatst afgevallen systeem legt naast de kosten die we voor Koha hebben gemaakt, inclusief de BibLibre-studiereisjes naar Marseille. Het is dus niet gratis, want inhuur en training kost veel. Maar het staat nog steeds in geen verhouding tot de kosten voor het gesloten systeem dat onze proof-of-concept niet doorstond.”

Ditmer: “Er zijn echter ook gesloten systemen die minder prijzig zijn dan het systeem waarmee wij niet verder gingen. Een bedrijf dat overgaat op open source investeert met name in de conversie, implementatie, ondersteuning en training. Koha kan gratis worden gedownload. De belangrijkste drijfveer is echter dat het pakket het beste aansluit bij onze wensen. Het voldoet goed en open source is gewoon sympathiek. Ik hou ontzettend van bibliotheeksystemen en dat zit, eigenlijk veel te omvangrijk, allemaal ingebakken in Koha. Tegelijkertijd heb je echter de mogelijkheid daar uitermate flexibel mee om te gaan. Ook als je helemaal je eigen dingen doet ben je nog steeds volledig uitwisselbaar met anderen. We kunnen bijvoorbeeld ook titelbeschrijvingen van andere instellingen overnemen en vice versa. Wanneer een Amerikaanse bibliotheek de nieuwe bladmuziek van Michel van der Aa krijgt kunnen ze er bijvoorbeeld op vertrouwen dat ze onze titelbeschrijving kunnen gebruiken. Die open-acces functionaliteit is een belangrijke kwaliteit.” Paula: “Je draait daarmee mee in het internationale circuit en dat is ontzettend leuk.” Ditmer: “En het is slim, want het bespaart tijd en geld. En het is toch gemeenschapsgeld wat wij hier gebruiken.”

Read More

Posted by on mei 28, 2010

Social media helpt de passie voor muziek te verspreiden

Social media helpt de passie voor muziek te verspreiden

De keuze was gisteren in Delft de studiedag van de NVMB bij te wonen of naar Amsterdam af te reizen voor een workshop Web2.0 & muziek door Erwin Blom. Ik koos voor het laatste, voornamelijk omdat ik denk dat het voor bibliotheken zinvol is te leren van datgeen wat buiten de sector gebeurt. Dat neemt niet weg dat ik ook graag in Delft geweest was, omdat daar, ingegeven door mijn pleidooi, mede Spotify op de agenda stond. Maar goed, een mens kan niet alles en het verhaal van Blom was, naar wat ik al verwachtte, deels zeker toepasbaar op de uitdaging waarvoor bibliotheken staan.

Blom heeft als stelling dat Twitter momenteel het belangrijkste kanaal is om bezoekers te trekken. Social media heeft ervoor gezorgd dat mensen meer op elkáár vertrouwen dan op de algemeen geldende mening, bijvoorbeeld een plaatrecensie in een krant. Informatie over, in dit geval muziek, wordt gevonden via vrienden. “Besef dat muziek passie is en dat die gevoed moet“, is Blom’s devies. Dat kan bijvoorbeeld door muziek gratis ter beschikking te stellen. Hij noemt als voorbeeld Silence Is Sexy dat haar nummers via bittorrent distribueert. Daarnaast vinden fans het leuk een kijkje achter de schermen te kunnen nemen. Via Twitter heb je dat zelf in de hand. Blom geeft als voorbeeld Mike Skinner van The Streets die op Twitter meldt dat hij een nieuwe mengtafel gekocht heeft. Voorwaarde voor succes op Twitter is echter dat je in contact treedt met volgers. Reageer dus op opmerkingen en vragen. Omdat je hiermee tevens in een andere timeline terechtkomt wordt de publieksgroep vergroot. Verdieping van wat je twittert kan je kwijt op een blog. Blom heeft zelf als doelstelling te bloggen om reacties te krijgen. Om dit te bewerkstelligen raadt hij aan niet al te veel ‘affe’ verhalen te posten. Oproepen tot vragen vergroot de participatie van anderen op je blog.

De connectie met fans is door de opkomst van sociale netwerken veel eenvoudiger geworden. Bands maken hiervan in een aantal gevallen succesvol gebruik, soms zelfs door er zelf weinig of geen moeite in te steken. Het succes van Kyteman bijvoorbeeld is voor een deel te danken aan het posten van livefilmpjes op Youtube. Door fans welteverstaan. Een ander voorbeeld is de stortvloed aan wannabe Anoukclipjes op datzelfde Youtube. Je kan je natuurlijk afvragen of je als artiest blij moet zijn met de onvermijdelijke gigantische missers die daarbij aan de wereld blootgesteld worden, maar slechte publiciteit is ook publiciteit. En mooi materiaal is natuurlijk mooi meegenomen. Meerdere artiesten aggregeren dit materiaal om hun eigen site voortdurend van nieuwe content te voorzien.

Natuurlijk zijn er, naast Twitter en Youtube, ook specifiek op muziek gerichte gereedschappen die helpen de waar onder de aandacht te brengen. Blom laat een aantal de revue passeren:

Bandcamp en Soundcloud zijn beide een platform waarnaar muziek geüpload kan worden die je vervolgens desgewenst kan embedden in een eigen site.

Bandize is een managementtool als je de zaken serieus wilt aanpakken.

Addictomatic is een site die Twitertrends in kaart brengt en waarmee dus ook eigen succes gemeten kan worden.

Mailchimp is online mailinglistsoftware.

Surveymonkey is software om online marktonderzoek mee te doen.

Over de mogelijkheden die bibliotheken hebben om ook van dit soort diensten gebruik te maken zal ik in een later stadium dieper ingaan. Dat er kansen liggen is echter evident. Wat dat betreft verwijs ik graag alvast naar mijn eerdere post De bibliotheek vormt de context.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on mei 14, 2010

Het boetseren van feedback

Het boetseren van feedback

Vorig weekend stuitte ik op Youtube op een aantal filmpjes die de Japanse feedback-scene belichtten. Deze op zichzelf staande muziekstijl, ook wel Onkyo of Onkyōkei genoemd, is gelieerd aan vrije improvisatie en maakt veel gebruik van electronica.  Een van de voornaamste exponenten ervan is Toshimaru Nakamura. Hij maakt als instrument gebruik van een no-input mixingboard. Hierbij verbindt hij de output en de input van de  mengtafel met elkaar wat een feedbacksignaal oplevert. Dit signaal wordt vervolgens door hem gemanipuleerd wat leidt tot het muzikale eindresultaat. In zijn eigen woorden:

It’s like sculpture. You shape the feedback into music […] It’s unpredictable and uncontrollable which makes it challenging. […] I’m not interested in playing music that has no risk.”

Datgeen wat uiteindelijk uit de luidsprekers komt is volstrekt uniek. Een geluidservaring in zijn meest pure vorm, omdat er geen sprake is van traditionale instrumenten of samples. Het is geluid dat ontstaat uit het niets en van daaruit, in meer of mindere mate gecontroleerd door mensenhanden, gevormd wordt tot een muzikaal geheel. Een element als stilte is daardoor evenzeer aanwezig als een element als pijnlijk penetrerende hoge tonen of sublage bassen. Ritmiek wordt door feedback gedirigeerd, maar kan ook totaal afwezig zijn. Bijzonder.

In onze meest recente uitzending van Edge::Rumori besteedden we aandacht aan de Onkyo-scene, maar breidden we de thematiek uit tot muziek voortkomend uit fysische processen. Een mooi voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld David Tudor’s Neural Synthesis.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on mei 13, 2010

Waarom de R in DRM voor Restrictie staat

Een mooi filmpje op Vimeo (met dank aan de Twittertip van @ctrlspatie) verbeeldt waarom DRM staat voor Digital Restrictions Management. Ik zal er verder geen woorden aan vuil maken, gewoon eventjes kijken:

[vodpod id=Video.3605269&w=425&h=350&fv=clip_id%3D9712950%26amp%3Bserver%3Dvimeo.com%26amp%3Bautoplay%3D0%26amp%3Bfullscreen%3D1%26amp%3Bmd5%3D0%26amp%3Bshow_portrait%3D0%26amp%3Bshow_title%3D0%26amp%3Bshow_byline%3D0%26amp%3Bcontext%3Duser%3A2814232%26amp%3Bcontext_id%3D%26amp%3Bforce_embed%3D0%26amp%3Bmultimoog%3D%26amp%3Bcolor%3D00ADEF%26amp%3Bforce_info%3Dundefined]

more about "terms&conditions on Vimeo", posted with vodpod

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on mei 1, 2010

De strijd om videocodecs

De strijd om videocodecs

Ze waren gematigd positief, de eerste reacties op de open brief van Steve Jobs inzake het niet ondersteunen van Flash op de iPhone, iPod en iPad. Ook ikzelf had zoiets van “hee, dit klinkt als een plausibel verhaal”. Een klein duiveltje op zijn schouder probeerde me echter iets in te fluisteren, maar wist niet precies wat. Gelukkig zijn er dan bloggers die haarfijn ontleden wat de echte reden is om Flash te weigeren. Bijvoorbeeld The real reason why Steve Jobs hates Flash:

The long term goal is to support the long-term migration of Apple from being a hardware company with a software arm into being a cloud computing company with a hardware subsidiary. […] The alternative is to join the PC industry in a long death spiral into irrelevance.

Een crossplatform plugin als Flash zou Apple hierin alleen maar hinderen. Het doel is namelijk het creeren van een Apple-ecosysteem waarin niet de hardware maar de apps geld opleveren. En controle over de techniek van die apps is daarbij natuurlijk hartstikke handig.

Maar daar houdt het niet op, want er zijn naast Flash andere manieren om video op het web en mobiel mogelijk te maken. Via HTML5 bijvoorbeeld. De stammenstrijd richt zich echter niet zozeer op de vraag óf HTML5 Flash gaat vervangen. Daarover zijn de deskundigen het namelijk wel eens. Nee, de vraag is welke onderliggende codec ontsluiting van videocontent via HTML5 mogelijk gaat maken. Tot op dit moment wordt er gebekvecht over twee serieuze mogelijkheden: de industriestandaard H.264 en de open source-codec Ogg Theora. Aan eerstgenoemde is een licentieverplichting verbonden waaraan bijvoorbeeld Apple, maar ook Microsoft, geld verdient. Beide hebben namelijk zitting in MPEG LA, de instantie die de codec beheert. Hun ondersteuning voor H.264 ligt daardoor voor de hand, maar is allerminst een zegen voor een open web, aangezien minder gefortuneerde partijen er niet op zitten te wachten hun beurs te moeten trekken en daarnaast in onzekerheid te verkeren of de licentieverplichtingen niet zullen veranderen.

Het wordt daarentegen echt vervelend wanneer de grote jongens gaan dreigen met patentclaims richting de open variant. Steve Jobs deed dit gisteren bijvoorbeeld in een reactie op een open brief van EFF-medewerker Hugo Roy. Jobs:

All video codecs are covered by patents. A patent pool is being assembled to go after Theora and other “open source” codecs now. Unfortunately, just because something is open source, it doesn’t mean or guarantee that it doesn’t infringe on others patents. An open standard is different from being royalty free or open source.

En dat Microsoft hierbij garen spint is, gezien het blogbericht van Dean Hachamovitch, general manager van Internet Explorer, overduidelijk (en dat Micrsosoft zelf claims ook niet schuwt werd van de week nog maar weer eens duidelijk). Microsoft zal alleen H.264 ondersteunen in IE9:

The future of the web is HTML5. Microsoft is deeply engaged in the HTML5 process with the W3C. HTML5 will be very important in advancing rich, interactive web applications and site design. The HTML5 specification describes video support without specifying a particular video format. We think H.264 is an excellent format. In its HTML5 support, IE9 will support playback of H.264 video only.

Flash kan het dus sowieso shaken. Waarom namelijk nog een plugin gebruiken wanneer videoweergave geintegreerd is in de webcode? De strijd richt zich zogezegd op de onderliggende codec, maar daarin is naast Ogg Theora en H.264 nog een derde mogelijkheid: VP8. Deze codec wordt beheerd door Google en zal naar verluidt binnenkort als open source-code worden vrijgegeven. Ars Technica stelt dat

VP8, […] is said to be highly sophisticated and competitive with H.264. If Google were to open VP8 and make the underlying intellectual property available under royalty-free terms, it would end the HTML5 video impasse by supplying an ideal codec.

Waarmee we weer terug bij de basis zijn. Apple & Microsoft tegenover Google, patenten & licenties tegenover open source. Een gesloten- tegenover een open web.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Pin It on Pinterest