Pages Menu
Categories Menu

Posted by on jul 11, 2010

Wielerblog: over 8 Sec., De Tour van ’89

Wielerblog: over 8 Sec., De Tour van ’89

8 Sec., De Tour van ’89
Herman Chevrolet
De Arbeiderspers, 1992, 327 pagina’s

De Tour de France van 1989 is het verhaal van Greg LeMond en Laurent Fignon. Of vooral hoe Fignon in de afsluitende tijdrit naar de Champs Elyssées een zekere Tourwinst vergooide. Het is echter meer dan dat. Herman Chevrolet toont in 8 Sec., De Tour van ’89 aan dat het ook de Tour van technologische vernieuwing was en tegelijkertijd de laatste van wat we nu het eerlijke wielrennen zouden noemen.

Het was in de zomer van 1985 dat Greg LeMond het aan de stok had met een andere Fransman en tevens ploeggenoot: Bernard Hinault. Dat de twee elkaars bloed wel konden drinken is een understatement. De eigenwijze LeMond, groot liefhebber van roomijs en hamburgers, en de arrogante Hinault, die de Tour al vier keer op zijn naam had geschreven, deelden het kopmanschap van hun ploeg La Vie Claire. Na een valpartij van Hinault en een zware bergrit een dag later ontpopte zich een scenario waarbij La Vie Claire-geldschieter Bernard Tapie een bepalende rol zou spelen. Hinault kwam op de flanken van de Col de Tourmalet en later de Aspin in de problemen. LeMond bevond zich op dat moment in een kopgroep met daarin ook de nummer twee van het algemeen klassement, Stephen Roche. Wanneer LeMond het ploegbelang had gediend zou hij zijn benen hebben stilgehouden, maar het geel lonkte ook voor hem. Er zat voor Tapie, die zijn relatie met volksheld Hinault niet op het spel wilde zetten, maar één ding op: LeMond opzadelen met een leugentje voor eigen bestwil. Hard doorrijden had geen zin vertrouwde hij LeMond toe. Hinault zat immers vlak achter ze. Het bleek een self fulling prophecy, maar feit was dat LeMond zijn ploeggenoot volkomen aan flarden had kunnen fietsen en samen met Roche had kunnen uitmaken wie de Tour zou winnen.

In de aanloop naar de Tour van 1986 verklaarde Hinault meermaals dat hij LeMond in staat achtte die editie op zijn naam te kunnen schrijven. En hieraan zou hij vanzelfsprekend zijn bijdrage leveren. Maar ook nu zou hij zich echter wederom opwerpen als de absolute kopman van La Vie Claire. LeMond en Hinault probeerden elkaar het leven zo zuur mogelijk te maken, resulterend in een keiharde strijd. Bernard Tapie moest alle zeilen bijzetten de eenheid in de ploeg te bewaren, in ieder geval naar buiten toe. Lemond en Hinault, hand in hand finishend op l’Alpe d’Huez. Het bleek volkomen geënsceneerd:

Ooh wat is dit mooi! Wat kan sport mooi zijn! Ooooh! Wat is dit schitterend! Wat is dit fantastisch om te zien! Ooooh! Wat een grootheid! Wat is dit fantastisch!”

Een jubelende Mart Smeets gleed bijna van zijn stoel bij het zien van zoveel kameraadschap en had daarmee de reactie die Tapie gewenst had: LeMond won de Tour bij de gratie van Hinault en dat alles onder de bezielende leiding van de geldschieter zelf.

LeMond’s loopbaan zou daarna een dramatische wending nemen nadat een onfortuinlijk jachtongeluk hem moeite gaf zijn oude niveau te hervinden. Na een kortstondige periode bij PDM vond hij onderdak bij het relatief onbekende Belgische ADR, waar hij onder de hoede kwam van José de Cauwer. En Laurent Fignon? Die was na zijn Touroverwinningen in 1983 en 1984 ernstig aan het sukkelen geraakt: blessures en langdurige herstelperiodes maakten dat niemand hem meer serieus nam. Een topper zou het nooit meer worden. Jean Francois Bernard was de nieuwe Franse held. Het probleem van Fignon was echter puur van fysieke aard. Tussen zijn oren zat het wel goed en de Tour van ’89 zou zijn glorieuze comeback worden.

Chevrolet beschrijft die Tour vervolgens in een kleine honderd pagina’s etappe voor etappe. Het is een mooi relaas waarbij hij zich niet slechts richt op de tweestrijd tussen LeMond en Fignon, die inderdaad de dienst zouden uitmaken. Ook het vrijwel alleen met kopmannen aanwezige PDM (vier renners in de top-10 van de eindklassering) en Pedro Delgado met zijn meesterknecht Miguel Indurain zouden de wedstrijd kleur geven. En natuurlijk het triathlonstuur van LeMond.

De Amerikaan won de eerste individuele tijdrit en gaf daarmee een duidelijk signaal richting Fignon. De gele trui was LeMond’s deel, maar na een onverklaarbare terugval in de laatste kilometer bergop richting Superbagnères nam Fignon het geel weer over. LeMond pakte de trui enkele dagen later weer terug, nu wederom in een tijdrit, die overigens werd gewonnen door Steven Rooks. Fignon sloeg echter vernietigend toe in de twee achtereenvolgende bergritten richting l’Alpe d’Huez en Villard-de-Lans. Wederom miste LeMond bergop de macht en werd door de Fransman op een kleine minuut in het algemeen klassement gereden. Deze 50 seconden zouden voor aanvang van de afsluitende tijdrit genoeg moeten zijn om zijn eindoverwinning veilig te stellen. Een kort experiment met een triathlonstuur beviel Fignon niet. De 58 seconden die LeMond binnen 24 en een halve kilometer terugpakte resulteerde in de kleinste Touroverwinning ooit.

Read More

Posted by on jul 11, 2010

Weekendmuziek: Mahavishnu Orchestra, Henry Jacobs & Bob McClay

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on jul 10, 2010

Dansen in een concentratiekamp

In een blogpost van een kleine maand geleden haalde ik Margaret Gould Stewart aan die de onverhoede voordelen van het gebruik van muziek op Youtube uitlegt. Of Gloria Gaynor ook garen zal spinnen bij de opmerkelijke onderstaande videoreeks is niet te zeggen. Het is slechts te hopen dat de muziekindustrie zichzelf niet onsterfelijk belachelijk maakt om het filmpje vanwege wellicht niet betaalde rechten offline te halen. Alhoewel…

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Posted by on jul 10, 2010

Wielerblog: Ontploft de zaak Armstrong?

Wielerblog: Ontploft de zaak Armstrong?

Evenals in 2009, het jaar waarin Lance Armstrong na kortstondige afwezigheid terugkeerde in de Tour, zijn ook nu de dopingverdachtmakingen niet uit de lucht. Sterker nog, de recente verklaringen van oud ploeggenoot Floyd Landis lijken erop te duiden dat er binnenkort wel eens iets ‘groots’ naar buiten zou kunnen komen. De verhoren van ploegleider Johan Bruyneel en oud ploeggenoten Tyler Hamilton en George Hincapie, afgenomen door de FBI en de Koninklijke Wielrijdersbond KBWB, dragen hier alleen nog maar aan bij. Armstrong ontkent vanzelfsprekend.

In de aanloop naar de Tour van vorig jaar besprak ik het boek From Lance to Landis: Inside the American Doping Controversy at the Tour de France voor het orgaan van mijn wielerclub. Ik post het bij deze, want er lijkt verduveld weinig veranderd.


From Lance to Landis: Inside the American Doping Controversy at the Tour de France
David Walsh, Ballantine Books, 352 pagina’s, 2007.

In het licht van de aanstaande comeback van Lance Armstrong is From Lance to Landis van de gelauwerde Ierse journalist David Walsh, hoofdredacteur sport van de Sunday Times, een publicatie die ongetwijfeld weer aangehaald gaat worden door critici van de zevenvoudige Tourwinnaar.

From Lance to Landis is een verrijkte uitgave van L.A. Confidentiel (2004), waarin werd uiteengezet dat Armstrong en zijn ploeg gebruikmaakten van een georganiseerd dopingprogramma. Verdachtmakingen rondom de Amerikaan zijn vooral in Frankrijk nooit uit de lucht geweest. Als liefhebber van de heroïek van de wielersport kunnen de twijfels eenvoudig worden genegeerd en betiteld als overdreven Frans chauvinisme. Na het lezen van From Lance to Landis valt echter niet te ontkomen aan de conclusie dat het verhaal toch wat anders in elkaar steekt. Zo is er bijvoorbeeld de georganiseerde bloeddoping door de Amerikaanse wielerploeg tijdens de Spelen van ’84, onder leiding van Armstrong’s persoonlijke coach Chris Carmichael. Daarnaast is er de lang verzwegen intensieve samenwerking tussen de veroordeelde dopingarts Michele Ferrari. En tot slot de twee keer dat Armstrong in 1999 daadwerkelijk positief werd bevonden, maar beide keren met de schrik vrijkwam. De eerste keer werd er bij een positieve testosteron-test plotsklaps een medisch attest voor schrale billen uit de hoge hoed getoverd. De tweede keer verwezen er in 2005 zes op epo positief bevonden bloedstalen naar Armstrong. De UCI verklaarde echter dat deze op onrechtmatige wijze verworven waren en verklaarde het bewijs teniet. De rol van de UCI en toenmalig voorzitter Hein Verbruggen is volgens Walsh sowieso twijfelachtig. Toen Michele Ferrari, in 1994 ploegarts van dopingarmada Gewiss, in een vraaggesprek met l’Equipe aangaf het gebruik van epo even gevaarlijk te vinden als het drinken van tien liter sinaasappelsap, werd deze berichtgeving door Verbruggen omschreven als hypocriet journalistiek broddelwerk. Volgens Verbruggen duidde het lage aantal betrapte renners op een schone wielersport. Logisch toch?

From Lance to Landis getuigt van een knap staaltje onderzoeksjournalistiek. Alhoewel veel van de door hem aangehaalde feiten en geruchten al langer in de wielerwereld circuleerden, weet Walsh ze met elkaar te verbinden, daarbij gebruikmakend van betrouwbare bronnen. Niet in de laatste plaats dient de rechtszaak die Armstrong in 2005 aanspande tegen SCA Promotions genoemd te worden. Deze risicoverzekeraar weigerde een miljoenenbedrag aan Amstrong’s geldschieter Tailwind Sports uit te keren nadat Armstrong’s positieve epo-test aan het licht kwam. Alhoewel Armstrong de zaak won kwam tijdens de procedure een aantal spraakmakende getuigen aan het woord. De Australische fysioloog Michael Ashenden weigerde bijvoorbeeld te geloven dat Armstrong zijn overwinningen zonder doping behaalde en bekeek daarvoor kritisch onderzoeksgegevens van de Amerikaanse arts Ed Coyle. Laatstgenoemde claimt dat een toegenomen Vo²max, gewichtsverlies en een meer efficiente pedaaltred Amstrong na zijn ziekte tot een onoverwinnelijke renner maakte. Ashenden is zo overtuigd van zijn gelijk dat hij Coyle recentelijk aanklaagde wegens wetenschappelijk falen. Van een nog grotere impact is de instant-message conversatie tussen Armstrong’s voormalige U.S. Postal-ploeggenoten Frankie Andreu (deze bekende in 2006 tegenover de New York Times dat hij in 1999 epo gebruikte) en Jonathan Vaughters (momenteel ploegleider bij Garmin). Uit de uiteenzetting blijkt dat illegale bloedtransfusies tot de dagelijkse U.S. Postalpraktijk behoorden.

De tijdens de hoorzitting opgeroepen getuige Betsy Andreu doet onder ede verslag van een ziekenhuisgesprek in 1996, waarbij Amstrong tegenover artsen verklaart in het verleden onder meer epo, steroïden, cortisonen en testosteron gebruikt te hebben. Bij dit gesprek was ook Stephanie McIlvain aanwezig. Deze medewerkster van sponsor Oakley en goede vriendin van zowel Andreu als Armstrong onderschrijft tegenover meerdere personen, waaronder Greg Lemond en de auteurs van het boek, het ziekenhuisgesprek. Onder ede verandert zij echter plots van mening en herinnert zich hier niets meer van. Ontegenzeggelijk bewijs dat de arm van Armstrong ver reikt is dit niet, maar het past wel binnen het plaatje van een renner die zich er niets aan gelegen laat liggen tegenstanders middels dreigementen de mond te snoeren. Bekend is het verhaal van Lemond die in de pers uit niet te begrijpen waarom Armstrong zich inliet met Michele Ferrari. Zijn bekende uitspraak dat “If [Armstrong’s] clean, it’s the greatest comeback. And if he’s not, then it’s the greatest fraud“, leidde tot het dreigement dat Trek, de producent van Lemond Bikes, deze overeenkomst zou ontbinden.

De stapel indirect bewijs waarop Walsh zijn verhaal baseert tekent een beeld van Lance Armstrong dat veel lezers versteld zal doen staan. Of de renner gedurende zijn hele loopbaan verboden stimulerende middelen heeft gebruikt valt momenteel niet aan te tonen, al was het alleen maar dat de UCI de medische gegevens van renners beschouwt als vertrouwelijk. Dat Armstrong niet is ingegaan op de recente uitnodiging van het Franse dopingbureau AFLD de stalen nogmaals te laten onderzoeken en daarmee zijn blazoen te kunnen zuiveren zal Walsh (en de meeste lezers van het boek) daarom allerminst verbazen.

Read More

Posted by on jul 10, 2010

Het aanschafbeleid herzien

Het aanschafbeleid herzien

Deze boekbespreking verscheen in Digitale Bibliotheek nr. 5, 2010:

Jesse Holden – Acquisitions In The New Information Universe, Core competencies and ethical practices
2010 Facet Publishing
ISBN 978-85604-739-5

Het aanschafbeleid van bibliotheken in de genetwerkte informatiemaatschappij verandert. Waar de dagelijkse praktijk in het verleden ambachtelijke handelingen als het invoeren en archiveren van vooral papieren content betrof, vraagt het nu om meerdere vaardigheden. Holden stelt dat de aanwezigheid van een toenemend aantal materiaalvormen al een uitdaging op zichzelf is. Deze leiden vervolgens ook tot een grotere variatie aan de manieren waarop deze beschikbaar worden gesteld aan de gebruikers. Deze laatste groep maakt hiermee onderdeel uit van wat Holden de Acces and Feedback-loop noemt: gebruikers zijn meer dan voorheen op de hoogte van het aanschafbeleid van bibliotheken en nemen de vrijheid gedurende dat proces te interfereren. Dit vraagt om een voortdurende alertheid en servicegerichtheid van de informatieprofessional. En niet alleen richting de gebruiker: ook tussen de aanbieders en de bibliotheek bestaat een in toenemende mate directer contact.
Holden pleit ervoor de opkomst van het e-book en andere, niet in gedrukte vorm, beschikbare content, in termen van een formaat te beschouwen. Het is niet meer zo dat ‘een boek een boek’ is, of in Holden’s woorden:

It is appropriate to reconceive information in terms of its existence as an object: content that exists as something material but not necessarily physical. The idea of a collection needs to be approached not as items organized by formats but rather as formats that happen to be embodied as objects, which may or may not be physical entities.”

Door het bezien van content in termen van een format, dat dankzij de technologische ontwikkelingen voortdurend in beweging is, vraagt om een flexibel aanschafbeleid. Het gebruik van technologie dient hierbij gezien te worden als een handzaam en veelzijdig instrument. Het e-book mag dan bijvoorbeeld een tastbaar object zijn, de online multimediatoepassingen nemen met rasse schreden toe en vragen om nieuwe manieren dit op te nemen in het aanschafbeleid. De nieuwe vormen van informatievoorziening worden door Holden beschouwd als een sphere of access. Naast het bekende papieren boek, dat door hem trouwens nog lang niet dood verklaard wordt, bestaat het ook uit een explosief in omvang toenemende hoeveelheid digitale informatie. Deze nieuwe aanwas is slechts deels afkomstig van de reguliere aanbieders. Ook user-generated content dient in beschouwing te worden genomen, evenals gedigitaliseerd materiaal uit bijvoorbeeld locale archieven en materiaal dat niet officieel uitgegeven wordt, maar wel online aanwezig is (verslagen, handleidingen etc.).

Holden stelt dat er sprake is van een verschuiving van een moderne en mechanische informatiemaatschappij naar een postmoderne, elektronische en nonlineaire informatiemaatschappij. Het fysieke item speelt hierin een steeds minder belangrijke rol en vraagt van de informatieprofessional dat hij/zij voortdurend op de hoogte moet zijn van nieuwe formaten, onbekende objecten en een hierbij verwachte vorm van dienstverlening. Op zich zijn dit geen onbekende nieuwe inzichten. Hij benadrukt echter dat de toename van content en de daarmee samenhangende mogelijkheden van collectievorming en dienstverlening voor elke bibliotheek unieke mogelijkheden en problemen kan opleveren. Holden stelt daarom dat er sprake is van een radicale omslag, waarbij afstand wordt gedaan van een lineaire verstandhouding met aanbieder en gebruiker. Deze wordt vervangen door de rizomatische benadering van Deleuze en Guattari: informatie en gebruikers verplaatsen zich vrij in alle richtingen en zoeken automatisch naar de kortste weg.

De genetwerkte informatiemaatschappij bestaat uit een geheel van content en formaten dat voortdurend in beweging is en waarbij de gebruiker steeds mondiger en vaardiger wordt. Holden concludeert hierom ook dat, om te kunnen reageren en anticiperen op deze nieuwe informatiemaatschappij, er afstand gedaan moet worden van gestandaardiseerde aanschaf- en collectiemethoden. Het is echter niet mogelijk op een presenteerblaadje aan te reiken welke instrumenten hiervoor in de plaats moeten komen. Acquisitions In The New Information Universe is daarmee meer een ideeën- dan een handboek waarmee elke bibliotheek zijn eigen aanschafbeleid kan herzien. Dat laatste is volgens Holden namelijk noodzakelijk.

Add to: Facebook | Digg | Del.icio.us | Stumbleupon | Reddit | Blinklist | Twitter | Technorati | Yahoo Buzz | Newsvine

Read More

Pin It on Pinterest